Visserssloep – Ode aan een buurman – Mark Hoedemakers
Deze blog zou zomaar een hoofdstuk van een boek kunnen zijn. Uit het diepste van zijn ziel schrijft Mark Hoedemakers over zijn buurman; Jan. Een verhalenverteller die zijn vriend werd…

Wanneer een doodgewone sloep een visserssloep wordt, wordt dat roestige ijzer een soort van edelmetaal…
Het was een prachtige, triestige dag. Met een laatste “Tot binnenkort!” zwaaide ik Jan uit en draaide ik de neus van m’n ouwe visserssloep richting de gebouwen van de waterskiclub, aan de overzijde van de plas. Jan bleef kijken tot ik er bijna was. Het voelde alsof ik de laatste link met m’n voormalig buurman doorknipte. Het voelde klote.
3 winters en 3 zomers woonde ik naast hem, op paradijseiland. Een eenzaam huis op een langgerekt schiereiland tussen de Grensmaas en één van de grote grindplassen die Limburg rijk is. Die eerste maanden vroeg ie regelmatig “hoe lang ik nog zou blijven”, want de situatie ter plekke liet eigenlijk niet toe dat er permanent gewoond werd. Een idiote kronkel in de wetgeving. Voor Jan werd, door zijn reeds gezegende leeftijd destijds een uitzondering gemaakt. Ik maakte mijn eigen uitzondering en rekende op een klein beetje gezond verstand. Tegen Jan zei ik dan, als antwoord op zijn vraag, dat ik liefst “voor altijd zou blijven”. Voor altijd in de schoot van Moeder Maas, voor altijd gelukkig. Want: gelukkig was ik.

Waar vissers ‘zen’ worden…
Wat een plek kan doen met een mens. Stadsmensen onderschatten dat vast, want ze weten niet beter. Al denken zij ongetwijfeld hetzelfde over ons, vrijbuiters van de boerendorpjes. Vanuit het raam in m’n woonkamer keek ik uit over de rivier en haar grindplas, dag in, dag uit. Ik genoot van elk seizoen, zelfs van die dekselse winter. Winters waren mooi, in die jaren.
Het water dat waste, een klauwende rivier en het ondergelopen weiland. De ketting van de sloep hoog in de boom in plaats van aan de ijzeren steiger. Aan het eind van een eerste barre vrieskou brak diezelfde ketting nog en sloeg mijn bootje op drift, omgeven door duizenden kilo’s ijs in volle dooi. Met Jan als aandachtig toeschouwer deed de rubberboot die dag dienst als sleepboot. Je leerde heel snel rekening houden met de grillen der natuur. Dat werd een ’tweede natuur’.

Zes maanden nadat ik mijn intrek nam in Dillenhof, begon ik te vissen op de grindplas. Ik had er de tijd van m’n leven en ving een prachtig allegaartje karpers, met ook enkele gewichtige exemplaren daarbij. Ik zal nooit vergeten hoe ik bijna elke dag in augustus 2010 m’n spullen de dijk af droeg in de regen. Glimlachend, genietend ondanks het herfstig weer in het hart van de zomer. Ik was volkomen zen. En Jan, die was de beste buurman die een visser zich wensen kon. Een verhalenverteller. Over de grindwinning, over ‘hoeve De Maas’, over het verre en minder verre verleden. Verhalen doorspekt met kwinkslagen, doorleeft met Limburgse trots, met Limburgse nuchterheid ook. Vissers als ik houden van verhalen en sentiment. En zo ben ik op korte tijd Jan’s gezelschap gaan koesteren. Voor altijd buren, ook al zijn we dat niet meer in de letterlijke betekenis van dat woord.

Buren voor altijd!
Diep van binnen heb ik altijd gevochten tegen de wetenschap dat ik ooit weg zou moeten gaan. Weg van paradijseiland, weg van m’n buurman. “Er zal veel moeten gebeuren om deze periode in mijn leven achter me te laten,” ik hoor het me nog hardop zeggen in die natte augustusmaand. Maar er gebeurde veel, en in oktober 2012 trok ik de deur definitief achter me dicht. Goed dat Jan er niet was, die dag, want ik stond met een krop in de keel tegen de tranen te vechten toen ik bij hem aanbelde om afscheid te nemen.
" De jaren nadien ging ik veel te weinig terug naar de plek waar ik zo graag woonde. Elke keer als ik de Maasbrug oversteek met de auto zwenkt m’n blik instinctief naar Dillenhof. “Home,” zeg ik dan stilletjes. “Thuis…” "
Wat achterbleef was m’n visserssloep, omdat ik nog plannen had terug te keren met bivvy en hengels. Vissersplannen willen echter al eens veranderen, want die worden grotendeels bepaald door karpers die op mijn pad komen. En zo gebeurde het dat ik op 13 september de sloep een laatste keer over de golven van de grindplas voer, op weg naar een nieuwe bestemming. Als ik ze een nieuwe lik verf geef, komend voorjaar, schilder ik met witte verf de naam Jan op haar flank. Want een schip zonder naam, is een schip zonder ziel. Als een thuis zonder ziel.

Een schip zonder naam, nog voor even toch…
Jan, beste vriend, bedankt voor alles. Tot binnenkort!








